Vrije wil

9 Vrije wil
9.1 God heeft de wil van de mens bekleed met zo’n natuurlijke vrijheid
en macht om naar keuze te handelen, dat deze noch geforceerd wordt,
noch door de natuur bepaald wordt tot het doen van goed of kwaad.¹

Mat. 17:12; Jak. 1:14; Deut. 30:19
9.2 De mens had in zijn staat van onschuld de vrijheid en de macht om
datgene te willen en te doen wat goed is en welgevallig voor God.¹
79
Tegelijkertijd was hij veranderlijk, zodat hij uit deze staat van onschuld kon
vallen.²

Pred. 7:29

Gen. 3:6
9.3 De mens verloor, door zijn val in een zondige staat, volledig ieder
vermogen om datgene te willen wat geestelijk goed is ten behoeve van zijn
verlossing.1 Dus de natuurlijke mens, die volledig afkerig is van het goede
en dood in zonde2
, is niet bij machte om zich op eigen kracht tot God te
bekeren of zichzelf daar op voor te bereiden.3

Rom. 5:6; 8:7

Ef. 2:1,5

Tit. 3:3-5; Joh. 6:44
9.4 Wanneer God een zondaar bekeert en hem in de staat van genade
brengt, bevrijdt Hij hem van zijn natuurlijke gebondenheid aan de zonde.1
Door zijn genade alleen stelt Hij hem in staat om vrij te willen en te doen
wat geestelijk goed is.2 Echter, vanwege zijn overgebleven verdorvenheid
wil hij niet volmaakt, noch volledig, dat wat goed is, maar wil hij ook dat
wat kwaad is.3

Kol. 1:13; Joh. 8:36

Filip. 2:13

Rom. 7:14-25; Gal. 5:17
9.5 De wil van de mens zal alleen in zijn verheerlijkte staat volmaakt en
onveranderlijk vrij zijn om alleen het goede te doen.¹

Ef. 4:13