Rechtvaardiging

11 Rechtvaardiging
11.1 God rechtvaardigt vrijwillig iedereen die Hij doeltreffend geroepen
heeft.¹ Hij doet dit niet door hen met rechtvaardigheid te vullen, maar door
hun zonden te vergeven2 en hen rechtvaardig te verklaren en te
aanvaarden.3 Hij doet dit niet door iets dat in hen of door hen is gedaan,
maar om Christus’ wil alleen. Hij doet dit niet door het toerekenen van het
geloof zelf, of de daad van het geloven, of enige andere vorm van
christelijke gehoorzaamheid als gerechtigheid4
, maar door het toerekenen
van Christus’ actieve gehoorzaamheid aan de hele wet en van zijn passieve
gehoorzaamheid in zijn dood als hun hele en enige gerechtigheid. Zij
ontvangen deze gerechtigheid van Christus in vertrouwen op Hem door het
geloof5
, dat zij niet van zichzelf hebben, maar een gave van God is.6

Rom. 8:30; 3:24

Rom. 4:5-8; Ef. 1:7

1 Kor. 1:30-31; Rom. 5:17-19

Filip. 3:8-9; Ef. 2:8-10

Joh. 1:12; Rom. 5:17

Ef.2:8; Filip. 1:29
11.2 Het geloof dat op deze manier Christus ontvangt en rust op Hem
en zijn rechtvaardigheid, is het enige middel tot rechtvaardiging.¹ Dit geloof
staat echter niet op zichzelf in de persoon die gerechtvaardigd is, maar gaat
altijd gepaard met alle andere reddende genadegaven. Het is geen dood
geloof, maar werkt door de liefde.²

Rom. 1:17; 3:28; Fil. 3:9

Gal. 5:6; Jak. 2:17, 22, 26
11.3 Christus heeft door zijn gehoorzaamheid en dood de schuld
betaald van allen die gerechtvaardigd zijn. Hij onderging in hun plaats de
straf die hen toekwam door Zichzelf te offeren in het vergieten van zijn
bloed aan het kruis. Hij heeft daardoor een passende, werkelijke en
volledige genoegdoening aan Gods gerechtigheid namens hen bewerkt.¹
Toch is hun rechtvaardiging alleen uit vrije genade, omdat de Vader Hem
83
uit vrije wil voor hen gegeven heeft² en zijn gehoorzaamheid en
genoegdoening in hun plaats aanvaard heeft; niet vanwege iets in hen.
Zowel de exacte rechtvaardigheid als de rijke genade van God worden
hierdoor verheerlijkt in de rechtvaardiging van zondaars.3

Heb. 10:14; 1 Pet. 1:18-19; Jes. 53:5-6

Rom. 8:32; 2 Kor. 5:21

Rom. 3:26; Ef. 1:5-7; 2:7
11.4 God besloot in de eeuwigheid om alle uitverkorenen te
rechtvaardigen¹ en Christus stierf in de volheid van de tijd voor hun zonden
en stond op voor hun rechtvaardiging². Niettemin worden zij pas
persoonlijk gerechtvaardigd wanneer de Heilige Geest op de bestemde tijd
de zegeningen van Christus in hun leven toepast.³

Gal. 3:8; 1 Pet. 1:2; 1 Tim. 2:6

Rom. 4:25

Kol. 1:21-22; Tit. 3:4-7
11.5 God blijft de zonden vergeven van hen die gerechtvaardigd zijn¹.
Hoewel zij nooit uit de staat van het gerechtvaardigd zijn kunnen vallen²,
kunnen zij door hun zonden onder het vaderlijke ongenoegen van God
komen.3
In deze toestand weerhoudt God hen gewoonlijk ‘het licht van Zijn
aangezicht’ totdat zij zichzelf vernederen, hun zonden belijden, om genade
smeken en hun geloof en bekering vernieuwen.4

Mat. 6:12; 1 Joh. 1:7-9

Joh. 10:28

Ps. 89:31-33

Ps. 32:5; 51; Mat. 26:75
11.6 De rechtvaardiging van gelovigen in het Oude Testament was in al
deze opzichten gelijk aan de rechtvaardiging van gelovigen in het Nieuwe
Testament.¹

Gal. 3:9; Rom. 4:22-24