Het laatste oordeel

32 Het laatste oordeel
32.1 God heeft een dag vastgesteld waarop Hij de wereld rechtvaardig
zal oordelen door Jezus Christus¹, aan wie de Vader alle macht en
bevoegdheid heeft gegeven om te oordelen. Op die dag zullen niet alleen
de afvallige engelen geoordeeld worden2
, maar zal evenzo iedereen die op
de aarde geleefd heeft, voor de rechterstoel van Christus verschijnen; om
rekenschap af te leggen van hun gedachten, woorden en daden; en om te
ontvangen overeenkomstig wat zij in het lichaam gedaan hebben, hetzij
goed, hetzij kwaad³.

Hand. 17:31; Joh. 5:22, 27

1 Kor. 6:3; Jud. 6

2 Kor. 5:10; Pred. 12:14; Mat. 12:36; Rom. 14:10-12; Mat. 25:32 e.v.
32.2 Gods doel in het vaststellen van deze dag is zowel de openbaring
van de heerlijkheid van zijn genade, in de eeuwige verlossing van de
uitverkorenen, als de openbaring van zijn rechtvaardigheid, in de eeuwige
verdoemenis van de verdorvenen, die goddeloos en ongehoorzaam zijn.¹
Dan zullen de rechtvaardigen het eeuwige leven binnengaan en de volheid
van vreugde en heerlijkheid in de aanwezigheid van de Heer als eeuwige
beloning ontvangen.² De verdorvenen, die God niet kennen en het
evangelie van Jezus Christus niet gehoorzamen, zullen daarom aan eeuwige
kwellingen onderworpen worden en boeten met een eeuwig verderf, ver
van het aangezicht van de Heer en de heerlijkheid van zijn kracht.³

Rom. 9:22-23

Mat. 25:21, 34; 2 Tim. 4:8

Mat. 25:46; Mar. 9:48; 2 Tess. 1:7-10
121
32.3 Zoals Christus wil dat wij er vast van overtuigd zijn dat er een dag
van oordeel zal komen ― zowel om alle mensen te weerhouden om te
zondigen¹, alsook om de godvrezenden in hun tegenspoed krachtig te
vertroosten² ―, zo houdt Hij het tijdstip van die dag voor mensen
verborgen, zodat ze alle aardse zekerheid loslaten en altijd waakzaam
zullen zijn, omdat ze niet weten op welk uur de Heer komen zal.³ Zo zullen
ze altijd bereid zijn om te zeggen: Amen. Ja, kom, Heer Jezus!

2 Kor. 5:10-11

2 Tess. 1:5-7

Mar. 13:35-37; Luc. 12:35-40

Op. 22:20