Het avondmaal

30 Het avondmaal
30.1 Het avondmaal van de Heer Jezus, dat door Hem ingesteld is in de
nacht dat Hij verraden werd, moet door zijn kerk tot aan het einde van de
wereld onderhouden worden. Dit moet gebeuren als voortdurende
herinnering aan en vertoning van zijn offer in zijn dood; als bevestiging van
het geloof met alle zegeningen die daaruit voortkomen; ter bevordering
van de geestelijke voeding en groei in Christus van de gelovigen; en om hen
nog meer bewust te maken van de plichten die zij Hem verschuldigd zijn.¹
Ook verplichten zij zich zo tot de onderlinge band met Christus en met
elkaar.²

1 Kor. 11:23-26

1 Kor. 10:16-21
30.2 In deze instelling wordt Christus niet aan zijn Vader geofferd, noch
wordt er een echt offer gebracht voor de vergeving van zonde van levenden
of doden. Het is slechts een gedenken van het eenmalige offer van Christus,
die zichzelf eens en voor altijd aan het kruis opgeofferd heeft¹; en een
geestelijke dankoffer van alle mogelijke eer aan God hiervoor.² Het roomskatholieke misoffer is weerzinwekkend en doet afbreuk aan het offer van
Christus, dat de enige genoegdoening is voor al de zonden van de
uitverkorenen.

Heb. 9:24-28

1 Kor. 11:24; Mat. 26:26-27
30.3 De Heer Jezus heeft zijn dienstknechten bij deze instelling
opgedragen om te bidden met dankzegging voor het brood en de wijn en
deze dingen apart te zetten voor dit heilig gebruik. Zij moeten het brood
117
nemen, dit breken, de beker nemen en beiden aan de deelnemers en aan
elkaar geven.¹

1 Kor. 11:23-26
30.4 Het onthouden van de beker aan de gelovigen, het aanbidden van
beker of brood, het opheffen of ronddragen ervan voor verering en het
gebruik ervan voor andere religieuze doelen zijn allen tegenstrijdig aan de
aard van deze instelling en de verordeningen van Christus.¹

Mat. 26:26-28; Mat. 15:9; Ex. 20:4-5
30.5 Hoewel de uiterlijke tekenen in het avondmaal van brood en wijn
― op de juiste manier apart gezet voor het gebruik dat Christus heeft
bevolen ― een figuurlijke relatie met de gekruisigde Heer hebben, worden
zij soms toch genoemd met de namen van de dingen die zij voorstellen,
namelijk het lichaam en bloed van Christus.¹ Dit wordt gedaan ondanks het
feit dat zij in aard en wezen werkelijk brood en wijn blijven, zoals zij waren
voordat zij voor dit doel apart gezet werden.²

1 Kor. 11:27

1 Kor. 11:26-28
30.6 De leerstelling van de transsubstantiatie, die onderwijst dat de
materie van het brood en de wijn door de wijding verricht door een priester,
of door een andere handeling, werkelijk materieel veranderen in het
lichaam en het bloed van Christus, is weerzinwekkend, niet alleen volgens
de Bijbel maar ook volgens het gezonde verstand en het logisch denken.¹
Het zet de aard van de instelling op zijn kop² en is altijd de oorzaak geweest
van veel bijgeloof en zelfs grove afgoderij.

Hand. 3:21; Luc. 24:6, 39

1 Kor. 11:24-25
30.7 Allen die op een waardige wijze uiterlijk deelnemen aan de tekenen
van het avondmaal, doen dit op dat moment ook innerlijk, door geloof,
118
werkelijk en metterdaad. Niet letterlijk of materieel ontvangen zij de
gekruisigde Christus, maar geestelijk ontvangen zij Hem, worden zij met
Hem gevoed en ontvangen zij alle zegeningen die voortvloeien uit zijn
dood.¹ Het lichaam en bloed van Christus zijn op dat moment niet
lichamelijk en materieel aanwezig, maar worden geestelijk waargenomen
door het geloof, zoals brood en wijn fysiek waargenomen worden.

1 Kor. 10:16; 11:23-26
30.8 Alle onwetende en goddeloze mensen, ongeschikt als zij zijn voor
de verbondenheid met Christus, zijn onwaardig om aan de tafel van de Heer
deel te nemen.¹ Zolang zij in deze situatie blijven, kunnen zij niet
toegelaten worden tot of deelnemen aan deze heilige instelling zonder
ernstig tegen Hem te zondigen. Zij die op onwaardige wijze het avondmaal
gebruiken, zijn schuldig tegenover het lichaam en het bloed van de Heer en
eten en drinken tot hun eigen oordeel.²

2 Kor. 6:14-15

1 Kor. 11:29; Mat. 7:6