Heiligmaking

13 Heiligmaking
13.1 God heeft in allen die met Christus verenigd zijn en die werkelijk
geroepen en wedergeboren zijn, een nieuw hart en een nieuwe geest
gecreëerd. Zij worden ook daadwerkelijk en persoonlijk verder geheiligd1
,
door zijn Woord en Geest die in hen wonen.2 Deze zegeningen ontvangen
zij op basis van de verdienste van de dood en opstanding van Christus. De
heerschappij van de macht van de zonde in hen wordt verbroken3
; de
verkeerde lusten verzwakken steeds meer en sterven af.4 Zij worden steeds
meer geprikkeld tot en gesterkt in diverse genadegaven5
, om deze heiliging
in de praktijk te brengen zonder welke niemand God zal zien.
6

Hand. 20:32; Rom. 6:5-6

Joh. 17:17; Ef. 3:16-19; 1 Tess. 5:21-23

Rom. 6:14

Gal. 5:24

Kol. 1:11

2 Kor. 7:1; Heb. 12:14
13.2 Deze heiligmaking betreft de hele mens1
, maar is in dit leven niet
volmaakt.
2 Overblijfselen van verdorvenheid blijven ieder deel van de mens
verontreinigen. Hierdoor vindt er een voortdurende en onverzoenlijke
innerlijke strijd plaats, waarbij wat wij uit onszelf najagen in strijd is met de
Geest en wat de Geest verlangt in strijd is met onszelf.3

1 Tess. 5:23

Rom. 7:18,23

Gal. 5:17; 1 Pet. 2:11
13.3 Alhoewel in deze strijd de resterende verdorvenheid soms tijdelijk
de overhand krijgt¹, zal de wedergeborene overwinnen doordat de
heiligmakende Geest van Christus voortdurend kracht verleent². Zo groeien
de heiligen in genade, waarbij ze naar volmaakte heiligheid streven in de
vrees van God en waarbij ze streven naar een hemels leven, in evangelische
gehoorzaamheid aan alle geboden die Christus als hoofd en als Koning aan
hen heeft voorgeschreven in zijn Woord.³
86

Rom. 7:23

Rom. 6:14

Ef. 4:15-16; 2 Kor. 3:18; 7:1