Goede werken

16 Goede werken
16.1 Goede werken zijn alleen die werken die God geboden heeft in zijn
heilig Woord¹. Het zijn dus niet werken die zonder reden bedacht zijn door
mensen, als gevolg van blinde toewijding of op basis van de pretentie van
goede bedoelingen².

Mi. 6:8; Heb. 13:21

Mat. 15:9; Jes. 29:13
90
16.2 Deze goede werken, die gedaan worden in gehoorzaamheid aan
Gods geboden, zijn de vruchten en de bewijzen van een echt en levend
geloof¹. Hierdoor laten gelovigen hun dankbaarheid zien², sterken zij hun
zekerheid³, sporen zij hun broeders aan4
, geven zij glans aan hun belijdenis
van het evangelie, leggen zij de tegenstanders het zwijgen op en
verheerlijken zij God5
, die hen gemaakt heeft. Zij zijn hiervoor in Christus
Jezus geschapen6
, zodat zij vruchten tot heiligmaking laten zien en
uiteindelijk het eeuwig leven mogen hebben.
7

Jak. 2:18, 22

Ps. 116:12-14

1 Joh. 2:3, 5; 2 Pet. 1:5-11

Mat. 5:16

1 Tim. 6:1; 1 Pet. 2:15; Fil. 1:11

Ef. 2:10

Rom. 6:22
16.3 Het vermogen van gelovigen om goede werken te verrichten komt
helemaal niet uit hen zelf, maar uit de Geest van Christus.1 Diezelfde Heilige
Geest is nodig om hen, naast alle genadegaven die zij al ontvangen hebben,
te bekwamen in het willen en werken naar zijn welgevallen.
2 Gelovigen
moeten hierin echter niet nalatig worden, alsof zij alleen maar hun plichten
moeten uitvoeren wanneer de Geest hen daartoe dringt, maar zij behoren
ijverig te zijn in het opwekken van de genade van God die in hen is.3

Joh. 15:4-6

2 Kor. 3:5; Fil. 2:13 13

Fil. 2:12; Heb. 6:11-12; Jes. 64:7
16.4 Zij die in hun gehoorzaamheid het hoogste bereiken dat in dit
leven mogelijk is, zijn toch nog zo ver verwijderd van het volbrengen of
overtreffen van wat God eist, dat zij nog tekortschieten in veel zaken die zij
zouden moeten doen.¹

Job 9:2-3; Gal. 5:17; Luc. 17:10
91
16.5 Wij kunnen door onze beste werken geen vergeving van zonde of
eeuwig leven van God verdienen, omdat deze werken in geen verhouding
staan tot de heerlijkheid die komen gaat en omdat er een oneindige afstand
is tussen ons en God, zodat deze werken ons niets opleveren en wij er niet
de schuld van onze eerdere zonden mee kunnen betalen.1 Wanneer wij alles
gedaan hebben wat wij kunnen, hebben wij slechts onze plicht gedaan en
zijn wij nutteloze dienaars. Voor zover deze werken goed zijn, gaan zij uit
van Gods Geest.2 Voor zover zij door ons gedaan worden, zijn zij
verontreinigd en vermengd met zo veel gebrek en onvolkomenheid, dat zij
in de ernst van Gods oordeel geen stand kunnen houden.3

Rom. 3:20; Ef. 2:8-9; Rom. 4:6

Gal. 5:22-23

Jes. 64:6; Ps. 143:2
16.6 Toch zijn de gelovigen aanvaard in Christus; en hun goede werken
daarbij.¹ Dit betekent niet dat zij in dit leven vrij van schuld zijn, of zonder
verwijt voor Gods aangezicht staan, maar dat het Hem behaagt om
datgene te aanvaarden en te belonen wat oprecht is, omdat Hij naar hen
kijkt als naar zijn Zoon, ook al gaan hun werken vergezeld van veel
zwakheden en onvolkomenheden.2

Ef. 1:6; 1 Pet. 2:5

Mat. 25:21, 23; Heb. 6:10
92
16.7 Werken van onbekeerden, die op zichzelf de uitvoering van Gods
geboden kunnen zijn en nuttig voor hen zelf en anderen zijn1
, blijven toch
zondige werken, om de volgende redenen. Ze komen niet voort uit een hart
dat gereinigd is door geloof²; ze zijn niet op een Bijbelse manier verricht³;
en ze missen het juiste doel, namelijk de heerlijkheid van God.4 Daarom zijn
ze zondig, kunnen ze God niet behagen en maken ze niemand geschikt om
Gods genade te ontvangen.5 Desondanks is het nalaten ervan een grotere
zonde en onaangenaam voor God.6

2 Kon. 10:30-31; 1 Kon. 21:27,29

Gen. 4:5; Heb. 11:4,6

1 Kor. 13:1

Mat. 6:2, 5

Amos 5:21-22; Rom. 9:16; Tit. 3:5

Job 21:14-15; Mat. 25:41-43