Gods verbond

7 Gods verbond
7.1 De afstand tussen God en het schepsel is zo groot, dat ― hoewel
weldenkende schepsels gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan God als hun
schepper ― zij nooit de beloning van het leven hadden kunnen ontvangen,
als God zich niet vrijwillig tot hen neergebogen had.1 God heeft hieraan
uitdrukking gegeven in de vorm van een verbond.

Luc. 17:10; Job 35:7-8
7.2 Bovendien, nu de mens zichzelf onder de vloek van de wet heeft
gebracht door zijn val in zonde1
, heeft de Heer een genadeverbond op
willen richten.¹ In dit verbond biedt Hij zondaars vrijelijk leven en verlossing
door Jezus Christus aan, terwijl Hij van hen geloof in Hem eist, zodat zij
gered kunnen worden.² Hij belooft zijn Heilige Geest aan allen te geven die
voorbestemd zijn tot het eeuwige leven, om hen gewillig te maken en hen
in staat te stellen om te geloven.³

Gen. 2:17; Gal. 3:10; Rom. 3:20-21

Rom. 8:3; Mar. 16:15-16; Joh. 3:16

Ez. 36:26-27; Joh. 6:44-45; Ps. 110:3
7.3 Dit verbond is geopenbaard in het evangelie; allereerst aan Adam
in de belofte van verlossing door ‘het zaad van de vrouw’
1
; en daarna stap
voor stap, totdat de volledige heilsopenbaring in het Nieuwe Testament
voltooid was.
2 Dit verbond is gegrond in de eeuwige
verbondsovereenkomst3
tussen de Vader en de Zoon om de uitverkorenen
74
te redden. Alleen door de genade van dit verbond heeft iedere nakomeling
van de gevallen Adam, die gered is, leven en een gezegende
onsterfelijkheid ontvangen.4 Dit omdat de mens in zijn huidige staat
volledig incapabel is om acceptatie bij God te bewerken op grond van de
voorwaarden waaraan Adam moest voldoen in zijn staat van onschuld.

Gen. 3:15

Heb. 1:1

2 Tim. 1:9; Tit. 1:2

Heb. 11:6,13; Rom. 4:1-2 enz.; Hand. 4:12; Joh. 8:56