Gods besluiten

Gods besluiten
3.1 God heeft alle dingen besloten die in de tijd zullen gebeuren.¹ Hij
deed dit in zichzelf; van eeuwigheid; in alle vrijheid en onveranderlijkheid;
en ging daarbij alleen te rade bij zijn wijze en heilige wil. Echter, God is niet
de auteur van de zonde en God heeft er in geen enkel opzicht deel aan.2
Ook wordt de wil van het schepsel niet geschonden, net zomin als het in
vrijheid werkzaam zijn van secundaire oorzaken wordt weggenomen, maar
integendeel juist bevestigd.3 Hierin blijkt zijn wijsheid in het ordenen van
alle dingen en zijn macht en trouw in het verwezenlijken van zijn besluiten.4

Jes. 46:10; Ef. 1:11; Heb. 6:17; Rom. 9:15,18

Jak. 1:13; 1 Joh 1:5

Hand. 4:27-28; Joh. 19:11

Num. 23:19; Ef. 1:3-5
66
3.2 Gods besluit is niet gebaseerd op zijn voorkennis dat onder
bepaalde omstandigheden bepaalde dingen zullen gebeuren,1 maar is
onafhankelijk van al dergelijke voorkennis.2

Hand. 15:18

Rom. 9:11-18
3.3 Om zijn heerlijkheid te laten zien, heeft God besloten om sommige
mensen en engelen uit te verkiezen of voor te bestemmen tot het eeuwige
leven door Jezus Christus,1
tot eer van Gods heerlijke genade.2 Anderen zijn
overgelaten in hun zonden tot hun rechtvaardige veroordeling, tot eer van
Gods heerlijke rechtvaardigheid.3

1 Tim. 5:21; Mat. 25:34

Ef. 1:5-6;

Rom. 9:22-23; Jud. 4
3.4 Deze uitverkoren engelen en mensen zijn onveranderlijk daartoe
bestemd; hun aantal staat zo zeker vast, dat het niet kan toenemen of
afnemen.¹

2 Tim. 2:19; Joh. 13:18
3.5 Voordat de wereld gemaakt werd, heeft God bepaalde mensen, in
Christus, voorbestemd tot leven; volgens zijn eeuwige en onveranderlijke
voornemen, op basis van zijn geheime raadsbesluit en de vreugde van zijn
wil. Hij heeft hen uit vrije genade en liefde¹ verkozen tot eeuwige
heerlijkheid, zonder dat er iets in hen was als voorwaarde of oorzaak dat
Hem hiertoe aanzette.²

Ef. 1:4-6, 9, 11; Rom. 8:30; 2 Tim. 1:9; 1 Tess. 5:9

Rom. 9:13,16; Ef. 2:5,12
3.6 Zoals God de uitverkorenen tot heerlijkheid heeft bestemd, zo
heeft Hij ook alle middelen hiertoe voorbestemd, door het eeuwige en vrije
voornemen van zijn wil.¹ Daarom worden zijn uitverkorenen, die gevallen
zijn in Adam, verlost door Christus.² Door zijn Geest, die op zijn tijd werkt,
67
worden zij geroepen tot geloof in Christus; gerechtvaardigd; tot zijn
kinderen aangenomen en geheiligd; ³ en ‘door de kracht van God bewaakt
door het geloof tot de zaligheid’.
4 Alleen de uitverkorenen delen in deze
zegeningen.5

1 Pet. 1:2; 2 Tess. 2:13

1 Tess. 5:9-10

Rom.8:30; 2 Tess. 2:13

1 Pet. 1:5

Joh.6:64; 10:26; 17:9
3.7 De leer van dit grote mysterie van de uitverkiezing moet met
bijzondere voorzichtigheid en beleid behandeld worden, zodat mensen die
gericht zijn op de ― in zijn Woord geopenbaarde ― wil van God en daaraan
gehoorzaam zijn, verzekerd mogen zijn van hun eeuwige verkiezing, door
de zekerheid van hun daadkrachtige roeping.1 Op deze manier zal de
uitverkiezing de lof voor God2 en diepe eerbied en verwondering opwekken;
nederigheid3 en toewijding stimuleren; en veel troost geven aan allen die
oprecht het evangelie gehoorzamen.
4

1 Tess. 1:4-5; 2 Pet. 1:10

Ef. 1:6; Rom. 11:33

Rom. 11:5, 6, 20

Luc. 10:20