God en de heilige drie-eenheid

2 God en de heilige drie-eenheid
2.1 De Heer, onze God, is de enige; de enige levende en ware God.¹ Hij
bestaat in en door zichzelf. 2 Hij is oneindig in zijn wezen en volmaaktheid.
Alleen Hij kan zichzelf helemaal begrijpen. 3 Hij is volledig geest; 4
onzichtbaar, zonder lichaam, zonder ledematen en zonder de veranderlijke
gevoelens van mensen. Hij alleen is onsterfelijk; Hij woont in het licht
waartoe niemand kan naderen. 5 Hij verandert niet.6 Hij is zo groot dat Hij
ons voorstellingsvermogen ver te boven gaat.7 Hij is eeuwig,
8
ondoorgrondelijk, almachtig9 en oneindig. Hij is volkomen heilig,10
volkomen wijs, volledig vrij en geheel volmaakt. Hij bewerkt alle dingen
naar de raad van zijn eigen, onveranderlijke en geheel rechtvaardige wil,11
voor zijn eigen eer.12 Hij is vol liefde, genadig, barmhartig, lankmoedig,
overvloedig in goedertierenheid en waarheid. Hij vergeeft
onrechtvaardigheid, overtredingen en zonde. Hij is de beloner van hen die
Hem ijverig zoeken.13 Hij is volledig rechtvaardig en ontzagwekkend in zijn
oordelen.14 Hij haat alle zonde15 en spreekt in geen enkel opzicht de
schuldige vrij.16

1 Kor. 8:4-6; Deut. 6:4

Jer. 10:10; Jes. 48:12

Ex. 3:14

Joh. 4:24

1 Tim. 1:17; 6:16; Deut. 4:15-16

Mal. 3:6

1 Kon. 8:27; Jer. 23:23

Ps. 90:2

Gen. 17:1

Jes. 6:3

Ps. 115:3; Jes. 46:10

Spr. 16:4; Rom. 11:36

Ex. 34:6-7; Heb. 11:6

Neh. 9:32-33

Ps. 5:5-6

Ex. 34:7; Nah. 1:2-3
2.2 God is volledige toereikend in wie Hij zelf is. Hij heeft alle leven,1
heerlijkheid,2 goedheid3 en zegen ín en ván zichzelf. Hij heeft de schepselen
64
die Hij heeft gemaakt niet nodig en ontleent niets van Zijn heerlijkheid aan
hen.4 Hij openbaart daarentegen Zijn eigen heerlijkheid ín en dóór hen. De
enige bron van alle bestaan is Hij; ván wie, dóór wie en vóór wie alle dingen
zijn.5 Hij heerst over al zijn schepselen; Hij doet dóór hen, vóór hen en mét
hen alles wat Hij wil.6 Hij heeft alle dingen volledig in het zicht;7
zijn kennis
is oneindig, onfeilbaar en onafhankelijk van het schepsel, zodat voor Hem
niets toevallig of onzeker is.8 Hij is volledig heilig in al zijn raadsbesluiten, in
al zijn werken9 en in al zijn geboden. Engelen en mensen zijn aan Hem, hun
schepper, élke aanbidding, dienstbaarheid en gehoorzaamheid
verschuldigd; en verder alles wat Hij van hen wil eisen.10

Joh. 5:26

Ps. 148:13

Ps. 119:68

Job 22:2-3

Rom. 11:34-36

Dan. 4:25, 34-35

Heb. 4:13

Ez. 11:5; Hand. 15:18

Ps. 145:17

Op. 5:12-14

2.3 In dit goddelijke en oneindige wezen bestaan drie goddelijke
personen: de Vader, de Zoon (of het Woord) en de Heilige Geest.¹ Zij zijn
één in wezen, macht en eeuwigheid. Ieder van hen is volledig God en toch is
hun goddelijkheid één en ongedeeld.² De Vader ontleent zijn bestaan aan
niets of niemand. De Zoon is van eeuwigheid door de Vader voortgebracht.3
De Heilige Geest gaat uit van de Vader en de Zoon.4 Deze drie zijn allen
oneindig, zonder begin; en daarom één God, die niet verdeeld kan worden
in natuur of wezen. Zij worden in de Schrift wel onderscheiden door hun
persoonlijke relaties in de Godheid en door de verschillende werken die aan
hen worden toegeschreven. Deze leer van de Drie-eenheid is de grondslag
voor al onze gemeenschap met God en voor onze troostrijke
afhankelijkheid van Hem.

1 Joh. 5:7; Mat. 28:19; 2 Kor. 13:13

Ex. 3:14; Joh. 14:11; 1 Kor. 8:6

Joh. 1:14, 18

Joh. 15:26; Gal. 4:6