De zekerheid van genade en verlossing

18 De zekerheid van genade en verlossing
18.1 Hoewel tijdelijke gelovigen en anderen die niet wedergeboren zijn
zichzelf tevergeefs met valse hoop kunnen misleiden met aannames dat ze
in de gunst van God staan en verlost zijn, zal deze hoop vergaan.1 Zij die
echt in de Heer Jezus geloven, Hem in oprechtheid liefhebben en ernaar
streven om in een goed geweten voor Hem te wandelen, mogen er in dit
leven verzekerd van zijn dat zij in de staat van genade leven.2 Zij mogen
zich verheugen in de hoop op de heerlijkheid van God, die hen nooit zal
beschamen.3

Job 8:13-14; Mat. 7:22-23

1 Joh. 2:3; 3:14, 18-19, 21, 24; 5:13

Rom. 5:2- 5
18.2 Deze zekerheid is geen veronderstelling, of mogelijke overtuiging
die op een wankele hoop gegrond is¹, maar een onfeilbare
geloofszekerheid, die gegrond is op het bloed en de gerechtigheid van
Christus, geopenbaard in het evangelie.² Daarnaast is zij gefundeerd op het
inwendige bewijs van de genadegaven van de Geest³, waarover beloften
zijn gegeven; en op het getuigenis van de Geest van adoptie4
, die met onze
geest getuigt dat wij de kinderen van God zijn. De vrucht hiervan is dat het
hart nederig en heilig gehouden wordt.5

Heb. 6:11, 19

Heb. 6:17, 18

2 Pet. 1:4-11

Rom. 8:15-16

1 Joh. 3:1-3
18.3 Deze onfeilbare zekerheid hoort niet zodanig tot de essentie van
het geloof, dat een ware gelovige niet soms lang moet wachten en met veel
moeilijkheden moet strijden voordat hij er deelgenoot aan is¹, terwijl de
Geest hem toch in staat stelt om de dingen te kennen die God hem in
genade geeft. Hij mag zonder een buitengewone openbaring te ontvangen
tot deze zekerheid komen door de genademiddelen op de juiste manier te
96
gebruiken.² Daarom is het de plicht van iedereen om in alle ijver zijn roeping
en verkiezing te bevestigen, zodat zijn hart vervuld kan worden met vrede
en vreugde in de Heilige Geest, met liefde en dankbaarheid naar God en
met kracht en vreugde in het vervullen van de plichten van de
gehoorzaamheid. Dit zijn de karakteristieke vruchten die voortkomen uit
deze zekerheid³, die allerminst de vrijheid geeft om een losbandig leven te
leiden.4

Jes. 50:10; Ps. 88; Ps. 77:1-12

1 Joh. 4:13; Heb. 6:11-12

Rom. 5:1-5; 14:17; Ps. 119:32

Rom. 6:1-2; Tit. 2:11-14
18.4 Het kan ware gelovigen overkomen dat de zekerheid van hun
verlossing op verschillende manieren wankelt, afneemt of onderbroken
wordt. Dit kan door nalatig te zijn in het bewaren van deze zekerheid¹,
omdat ze in een bepaalde zonde vallen die het geweten verwondt en de
Geest bedroeft²; of door een plotselinge of krachtige verleiding³, waarbij
God het licht van zijn aangezicht wegneemt4 en toelaat dat zelfs zij die Hem
vrezen in duisternis wandelen en geen licht hebben. Toch zijn ze nooit
helemaal verstoken van het zaad van God5 en het geloofsleven6
; van de
liefde van Christus en de broeders; en van de oprechtheid van hart en het
plichtsgevoel. Uit deze dingen zal de zekerheid te zijner tijd weer opgewekt
worden, door de werking van de Geest.7 En door deze dingen worden zij
intussen behoed voor totale wanhoop.8

Hoogl. 5:2-3, 6

Ps. 51:8-14

Ps. 116:11; 77:7-8; 31:22

Ps. 30:7-8

1 Joh. 3:9

Luc. 22:32

Ps. 42:6,12

Klaagl. 3:26-31