De wettige eed

23 De wettige eed
23.1 Een wettige eed is een onderdeel van de aanbidding van God,
waarin de persoon, die zweert in waarheid, rechtvaardigheid en oordeel,
God plechtig aanroept om getuige te zijn van wat hij zweert¹ en om hem te
oordelen naar de waarheid of onwaarheid ervan.²

Ex. 20:7; Deut. 10:20; Jer. 4:2

2 Kron. 6:22-23
23.2 De mens mag uitsluitend bij de naam van God een eed afleggen.
De eed moet met heilige vrees en ontzag gebruikt worden, want het is
zondig en afkeurenswaardig om onnodig of overhaast te zweren bij die
heerlijke en ontzaglijke Naam, of te zweren bij enig ander ding.¹ Echter, in
geval van gewichtige zaken of momenten, wanneer waarheid bevestigd of
een twist beslecht moet worden, is een eed gerechtvaardigd door Gods
Woord.² Wanneer in dergelijke gevallen een wettige eed wordt opgelegd
door een wettige autoriteit, moet deze afgelegd worden.³

Mat. 5:34-37; Jak. 5:12

Heb. 6:16; 2 Kor. 1:23

Neh. 13:25
23.3 Hij die een eed aflegt die gerechtvaardigd is door Gods Woord,
moet het gewicht van zo’n plechtige handeling goed beseffen en alleen
106
datgene bevestigen waarvan hij weet dat het de waarheid is. Immers, door
overhaaste, valse of onnodige eden wordt de Heer getergd en lijdt het land
schade.1

Lev. 19:12; Jer. 23:10
23.4 Een eed moet worden afgelegd met duidelijke woorden, in hun
directe en gebruikelijke betekenis1
, zonder ontwijkingen of
terughoudendheid.

Ps. 24:4
23.5 Een gelofte, die alleen aan God en niet aan enig schepsel gedaan
moet worden, moet afgelegd en uitgevoerd worden met alle godsdienstige
zorg en trouw.¹ Rooms-katholieke kloostergeloften van een levenslang
celibaat², uitgesproken armoede³ en permanente gehoorzaamheid, staan
zover af van een hogere perfectie, dat zij bijgelovige en zondige
verleidingen zijn4
, waarin geen enkele christen verstrikt mag raken.

Ps. 76:12; Gen. 28:20-22

1 Kor. 7:2,9

Ef. 4:28

Mat. 19:11