De volharding van de gelovigen

17 De volharding van de gelovigen
17.1 Zij die God aanvaard heeft in de Geliefde; die Hij geroepen heeft en
geheiligd heeft door zijn Geest; en aan wie hij het kostbare geloof van zijn
uitverkorenen gegeven heeft, kunnen nooit meer echt uit de staat van
genade vallen. Zij zullen daarin zeker tot het einde volharden en eeuwig
gered zijn, omdat God niet terugkomt op zijn genadegaven en roepingen.1
Hij brengt geloof, bekering, liefde, vreugde, hoop en alle genadegaven van
de Geest tot onsterfelijkheid in hen voort en versterkt hen daarin. Alhoewel
veel stormen tegen hen opsteken en golven op hen inbeuken, zullen deze
hen nooit van dat fundament en die rots af kunnen stoten, waar zij door
geloof op verankerd staan. Wel kan, door ongeloof en de verleidingen van
Satan, het zicht op het licht en de liefde van God gedurende een tijd achter
wolken schuilgaan en verduisterd worden.² Hij is echter altijd dezelfde3 en
zij mogen er zeker van zijn dat zij tot de verlossing bewaard worden door de
kracht van God. Zij zullen dit verkregen bezit genieten, omdat zij
gegraveerd zijn in de palmen van zijn handen en hun namen geschreven zijn
in het boek des levens van alle eeuwigheid.

Joh. 10:28-29; Fil. 1:6; 2 Tim. 2:19; 1 Joh. 2:19

Ps. 89:31-33; 1 Kor. 11:32

Mal. 3 :6
94
17.2 Deze volharding van de gelovigen is niet afhankelijk van hun vrije
wil, maar van het onveranderlijke raadsbesluit van de uitverkiezing.1 Zij
vloeit voort uit de vrije en onveranderlijke liefde van God de Vader, uit de
werkzaamheid van de verdienste en de voorbede van Jezus Christus en de
eenheid met Hem2
, uit de eed van God3
, uit het permanent aanwezig blijven
van zijn Geest en het zaad van God in hen4 en uit het wezen van het
genadeverbond.6 Dit alles garandeert de zekerheid en de onfeilbaarheid
van de volharding.

Rom.8:30; 9:11,16

Rom. 5:9-10; Joh. 14:19

Heb. 6:16-20

1 Joh. 3:9

Jer. 32:40
17.3 De gelovigen kunnen in ernstige zonden vallen en hier een tijd mee
doorgaan, door de verleiding van Satan en de wereld, door de nog in hen
aanwezige zondigheid en doordat zij geen gebruik maken van de middelen
tot hun bewaring en bescherming.¹ Hierdoor laden zij Gods ongenoegen op
zich en bedroeven zij zijn Heilige Geest ², met als gevolg dat hun
genadegaven schade lijden, dat hun troost vermindert³, dat hun harten zich
verharden en dat hun geweten gewond raakt4
, waarbij zij anderen pijn doen
en aanstoot geven en Gods tucht over zichzelf afroepen.5 Toch zullen zij
hun bekering vernieuwen en bewaard worden tot het einde, door geloof in
Christus Jezus.6

Mat. 26:70, 72, 74

Jes. 64:5-9; Ef. 4:30

Ps. 51:10-12

Ps. 32:3-4

2 Sam. 12:14

Luc. 22:32, 61-62