De toestand van de mens na de dood en de opstanding van de doden

31 De toestand van de mens na de dood en de opstanding
van de doden
31.1 Het lichaam van de mens keert na de dood terug tot stof en
ondergaat ontbinding.¹ De ziel daarentegen, die niet sterft of slaapt, is
onsterfelijk en keert direct terug naar God, die hem gegeven heeft.² De
zielen van de rechtvaardigen worden dan volmaakt in heiligheid en worden
in het paradijs ontvangen, waar zij met Christus zijn, het aangezicht van
God aanschouwen in licht en heerlijkheid en waar zij wachten op de
volledige verlossing van hun lichamen.³ De zielen van de goddelozen
worden in de hel geworpen, waar zij in pijn en uiterste duisternis verblijven
en bewaard worden voor het oordeel op de grote dag.4 Naast deze twee
plaatsen kent de Bijbel geen andere plaats voor zielen die van hun lichamen
gescheiden zijn.

Gen. 3:19; Hand. 13:36

Pred. 12:7

Luc. 23:43; 2 Kor. 5:1,6-8; Fil.1:23; Heb. 12:23

Jud. 6-7; 1 Pet. 3:19; Luc. 16:23-24
31.2 Op de laatste dag zullen gelovigen die dan nog op aarde leven, niet
sterven, maar veranderd worden.¹ Alle doden zullen opgewekt worden, met
geen ander dan hun eigen lichaam2
, zij het ook met verschillende
eigenschappen.3 Zij zullen opnieuw, maar nu voor eeuwig, met hun zielen
verenigd worden.

1 Kor.15:51-52; 1 Tess.4:17

Job 19:26-27

1 Kor. 15:42-44
31.3 De lichamen van de onrechtvaardigen worden door de kracht van
Christus opgewekt tot oneer. De lichamen van de rechtvaardigen worden
door zijn Geest opgewekt tot eer en zij zullen gelijkvormig gemaakt worden
aan zijn verheerlijkt lichaam.¹

Hand. 24:15; Joh. 5:28-29; Fil. 3:21