De schepping

4 De schepping
4.1 In het begin heeft het God ― de Vader, de Zoon en de Heilige
Geest¹ ― behaagd om de wereld te scheppen, met alle zichtbare en
onzichtbare dingen,2
in zes dagen. Dit alles was zeer goed.3 Hij deed dit om
de heerlijkheid van zijn eeuwige macht, wijsheid en goedheid te laten zien.4

Joh. 1:2-3; Heb. 1:2; Job 26:13

Kol. 1:16

Gen. 1:31

Rom. 1:20
68
4.2 Nadat God alle andere schepselen gemaakt had, schiep Hij de
mens; man en vrouw.1 Hij schiep hen met weldenkende en onsterfelijke
zielen2 en maakte hen geschikt tot het leven in harmonie met God,
waarvoor zij waren geschapen. Zij werden geschapen naar het beeld van
God; met kennis, gerechtigheid en ware heiligheid.3 De wet van God was in
hun harten geschreven4 en zij hadden de kracht om deze te gehoorzamen.
Omdat zij waren overgelaten aan de vrijheid van hun eigen, veranderlijke
wil, hadden zij wel de mogelijkheid om de wet te overtreden.5

Gen. 1:27

Gen. 2:7

Pred. 7:29; Gen. 1:26

Rom. 2:14-15

Gen. 3:6
4.3 Naast dat de wet in hun harten geschreven was, ontvingen zij een
gebod om niet te eten van de boom van kennis van goed en kwaad.1 Zolang
zij dit gebod hielden, waren zij gelukkig in hun gemeenschap met God en
regeerden zij over de schepselen.2

Gen. 2:17

Gen. 1:26-28