De Bijbel

Hoofdstuk 1 – De Bijbel

1.1

De Bijbel is de enige, volledige, zekere en onfeilbare maatstaf voor
alle kennis, geloof en gehoorzaamheid voor onze verlossing.¹ Hoewel het
inzicht dat de natuur ons geeft, en Gods scheppingswerk en voorzienigheid,
zijn goedheid, wijsheid en kracht zo duidelijk laten zien dat zij de mens alle
verontschuldiging ontnemen, zijn deze dingen echter niet toereikend om
ons de verlóssende kennis van God en van zijn wil te geven.² Daarom heeft
de Heer zich vaak en op verschillende manieren geopenbaard³ en zijn wil
aan zijn kerk bekend gemaakt. Daarbij heeft Hij zijn wil helemaal laten
opschrijven4 om de waarheid te bewaren en te verspreiden; en om de kerk
een sterkere zekerheid en troost te geven tegen de invloed van de
verdorven natuur van de mens en de slechtheid van Satan en de wereld. Nu
God de eerdere manieren om zijn wil aan zijn volk bekend te maken niet
meer gebruikt, maakt dit de Bijbel absoluut noodzakelijk.

2 Tim. 3:15-17; Jes.8:20; Luc.16:29-31; Ef.2:20

Rom. 1:18-21; 2:14-15; Ps. 19:1-3

Heb. 1:1

Spr. 22:19-21; Rom. 15:4; 2 Pet. 1:19-20

1.2

De Heilige Schrift, oftewel het geschreven Woord van God, omvat
nu de volgende boeken, die samen het Oude en Nieuwe Testament
vormen:
Het Oude Testament: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium,
Jozua, Richteren, Ruth, 1 Samuël, 2 Samuël, 1 Koningen, 2 Koningen, 1
Kronieken, 2 Kronieken, Ezra, Nehemia, Ester, Job, Psalmen, Spreuken,
Prediker, Hooglied, Jesaja, Jeremia, Klaagliederen, Ezechiël, Daniël, Hosea,
Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggai,
Zacharia en Maleachi.
Het Nieuwe Testament: Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes, Handelingen,
Romeinen, 1 Korintiërs, 2 Korintiërs, Galaten, Efeziërs, Filippenzen,

Kolossenzen, 1 Tessalonicenzen, 2 Tessalonicenzen, 1 Timoteüs, 2
Timoteüs, Titus, Filemon, Hebreeën, Jakobus, 1 Petrus, 2 Petrus, 1
Johannes, 2 Johannes, 3 Johannes, Judas en Openbaring.
Al deze boeken zijn voortgebracht door de inspiratie van God om als
maatstaf te dienen voor geloof en leven.¹

2 Tim. 3:16

1.3

De zogenaamde apocriefen, die niet door God geïnspireerd zijn,
maken geen deel uit van de canon van de Schrift. Daarom hebben ze ook
geen gezag in Gods kerk; hun functie en betekenis is niet anders dan die van
andere menselijke literatuur.¹

Luc. 24:27,44; Rom. 3:2

1.4

We moeten de Heilige Schrift geloven, omdat het gezag ervan niet
berust op het getuigenis van een persoon of kerk, maar helemaal op God,
die zelf de waarheid is. De Heilige Schrift moet algemeen aanvaard worden
omdat God er de auteur van is en het daarom Gods Woord is.¹

2 Pet. 1:19-21; 2 Tim. 3:16; 1 Tess. 2:13; 1 Joh. 5:9

1.5

Het getuigenis van de kerk van God kan ons ertoe leiden en ons
ervan overtuigen om de Heilige Schrift in hoge achting te houden. De
Heilige Schrift bewijst om een overvloed aan redenen het Woord van God
te zijn, zoals 1) het hemelse karakter van zijn inhoud, 2) de doeltreffende
aard van zijn leer, 3) zijn majestueuze stijl, 4) de onderlinge
overeenstemming tussen al zijn delen, 5) zijn strekking om in alles alle eer
aan God te geven, 6) de volledige uiteenzetting die hij geeft van de enige
weg tot redding van de mens, en 7) zijn vele andere weergaloze en
uitmuntende eigenschappen; dus vanwege zijn absolute volmaaktheid.
Toch worden we ten volle overtuigd en verzekerd van de onfeilbare
waarheid en het goddelijk gezag van de Schrift door het innerlijke werk van

de Heilige Geest, die daarvan door en met het Woord getuigenis geeft in
onze harten.1

Joh. 16:13-14; 1 Kor. 2:10-12; 1 Joh 2:20, 27

1.6

Het geheel van Gods openbaring – ten aanzien van alle dingen die
nodig zijn voor zijn eigen heerlijkheid en de verlossing, het geloof en het
leven van de mens – is of uitdrukkelijk in de Bijbel opgeschreven, of kan
daaruit door noodzakelijke gevolgtrekking worden afgeleid. Niets mag ooit
daaraan toegevoegd worden, noch door vermeende nieuwe openbaringen
van de Geest noch door menselijke tradities.1 Niettemin erkennen wij dat
we de innerlijke verlichting door de Geest van God nodig hebben om de
dingen die geopenbaard zijn ín het Woord, zó te begrijpen dat het ons
redding brengt.2 Wij erkennen ook dat bepaalde, algemeen gebruikelijke
aspecten van de aanbidding van God en het bestuur van de kerk bepaald
moeten worden door het licht van natuurlijke en christelijk wijsheid en in
overeenstemming met de algemene regels van Gods Woord, waarvan niet
afgeweken mag worden.3

2 Tim. 3:15-17; Gal. 1:8-9

Joh. 6:45; 1 Kor. 2:9-12

1 Kor. 11:13-14; 14:26,40

1.7

In de Bijbel is niet alles op zichzelf even duidelijk of voor iedereen
even begrijpelijk.1 De zaken die we moeten kennen, geloven en naleven tot
verlossing, zijn echter zo helder uiteengezet en geopenbaard in de ene of
andere plaats van de Schrift, dat mensen deze dingen voldoende kunnen
begrijpen met behulp van de gewone, beschikbare middelen, ongeacht hun
opleidingsniveau.2

2 Pet. 3:16

Ps. 19:8-9; 119:130

1.8

De originele geschriften van het Oude1 en het Nieuwe Testament
zijn, in hun oorspronkelijke talen, direct geïnspireerd door God. Zij zijn

geschreven, respectievelijk in het Hebreeuws (de taal van Gods volk) en in
het Grieks (tijdens het schrijven van het Nieuwe Testament de meest
bekende taal voor de volken). Door Gods bijzondere zorg en voorzienigheid
zijn zij te allen tijde zuiver bewaard. Ze zijn daarom authentiek en voor de
kerk het einde van alle tegenspraak in ieder godsdienstig meningsverschil. 2
Heel het volk van God heeft recht op en belang bij de Schrift en is geboden
deze in de vreze des Heren te lezen en te onderzoeken.3 Omdat de
oorspronkelijke talen echter niet bekend zijn bij de lezers, moet de Schrift
vertaald worden in de gangbare taal van ieder volk tot wie zij komt, 4
zodat
het Woord van God in rijke mate in hen kan wonen; 5
zij Hem op een
aanvaardbare manier zullen eren; en zij ‘door te volharden en door troost te
putten uit de Schriften zouden blijven hopen’.7

Rom. 3:2

Jes. 8:20; Hand. 15:15

Joh. 5:39,46

1 Kor. 14 :6, 9, 11, 12, 24, 28

Kol. 3 :16

noot vertalers: citaat van Rom. 15:4

1.9

De onfeilbare maatstaf voor de uitleg van de Schrift is de Schrift
zelf. Wanneer er een vraag rijst over de juiste, volledige en eenduidige
betekenis van een Schriftgedeelte, moet gezocht worden naar andere
Schriftgedeelten die meer duidelijkheid bieden.¹

2 Pet. 1:20-21; Hand. 15:15-17

1.10

De Heilige Schrift kan niets anders zijn dan de hoogste raad, door
wie alle godsdienstige meningsverschillen beslecht moeten worden en alle
besluiten van kerkelijke vergaderingen, meningen van vroegere schrijvers
en leerstellingen van individuele personen of groepen getoetst moeten
worden. In het oordeel van de Heilige Schrift, ons gegeven door de Heilige
Geest, mag ons geloof uiteindelijk besloten zijn.¹