Christelijke vrijheid en gewetensvrijheid

21 Christelijke vrijheid en gewetensvrijheid
21.1 De vrijheid die Christus voor gelovigen onder het evangelie heeft
verworven, bestaat uit hun vrijstelling van de schuld van de zonde; van het
oordeel en de toorn van God; en van de gestrengheid en vloek van de wet.¹
101
Deze vrijheid bestaat ook uit hun verlossing van deze huidige boze wereld²;
van de gebondenheid aan Satan³; van de heerschappij van de zonde4
; van
het kwaad van aanvechtingen5
; van de angst voor en de prikkel van de
dood6
; van de overwinning over het graf en van het eeuwige oordeel7
. Ook
bestaat deze vrijheid uit hun vrije toegang tot God8 en hun
gehoorzaamheid aan Hem, niet vanuit een slaafse angst, maar vanuit een
kinderlijke liefde en bereidwilligheid.
9 Gelovigen die leefden in de tijd van
het Oude Testament10 hadden deze voorrechten ook, maar in de tijd van
het Nieuwe Testament is de christelijke vrijheid verder uitgebreid. Deze
bestaat uit hun vrijstelling van het juk van de ceremoniële wet, waaraan de
joodse kerk was onderworpen; in een grotere vrijmoedigheid om te
naderen tot de troon van genade; en in een grotere mate van vervulling met
de vrije Geest van God¹¹, dan gelovigen gewoonlijk hadden in de tijd van
het Oude Testament.

Gal. 3:13

Gal. 1:4

Hand. 26:18

Rom. 8:3

Rom. 8:28

1 Kor. 15:54-57

2 Tess. 1:10

Rom. 8:15

Luc. 1:74-75; 1 Joh. 4:18

Gal. 3:9-14

Joh. 7:38-39; Heb. 10:19-21
21.2 God alleen is Heer over het geweten¹. Hij heeft het vrijgesteld van
iedere verplichting om leerstellingen en geboden van mensen te
aanvaarden, die op enigerlei wijze in tegenstelling zijn met zijn Woord of
daarin niet vermeld staan.² Het geloven in zulke leerstellingen of het
gehoorzamen van zulke geboden, komt daarom neer op verraad aan de
ware gewetensvrijheid³. Het vereisen van een onvoorwaardelijk geloof en
absolute en blinde gehoorzaamheid, betekent het vernietigen van de
gewetensvrijheid en het logisch denken.4
102

Jak. 4:12; Rom. 14:4

Hand. 4:19; 5:29; 1 Kor. 7:23; Mat. 15:9

Kol. 2:20-23

1 Kor. 3:5; 2 Kor. 1:24
21.3 Degenen die, onder het mom van christelijke vrijheid, zonde
bedrijven of zondige lusten koesteren, verdraaien hiermee het belangrijkste
principe van de genade van het evangelie tot hun eigen verderf¹. Op deze
manier vernietigen zij volledig het doel van de christelijke vrijheid², namelijk
dat wij, ‘verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder
vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven’.

Rom. 6:1-2

Gal. 5:13; 2 Pet. 2:18-21