Aanbidding en de dag van de Heer

22 Aanbidding en de dag van de Heer
22.1 Het natuurlijk inzicht laat zien dat er een God is, die de
heerschappij en soevereiniteit heeft over alles, die rechtvaardig is en die
aan iedereen goed doet. Daarom behoort Hij gevreesd, geliefd, geprezen,
aangeroepen, vertrouwd en gediend te worden met het hele hart, de hele
ziel en alle kracht.¹ De aanvaardbare manier van de aanbidding van God is
echter door Hem zelf ingesteld² en ingekaderd door zijn eigen,
geopenbaarde, wil. Hij mag dus niet aanbeden worden volgens de
denkbeelden en uitvindingen van mensen of de influisteringen van satan,
door middel van enige zichtbare voorstelling of enige andere manier die
niet in de Bijbel is voorgeschreven.³

Jer. 10:7; Mar. 12:33

Deut. 12:32

Ex. 20:4-6
22.2 We zijn aanbidding verschuldigd aan God de Vader, de Zoon en de
Heilige Geest en aan Hem alleen¹; niet aan engelen, heiligen of andere
schepselen.² Sinds de zondeval kan dit niet zonder een middelaar³, noch
door de bemiddeling van een ander dan Christus.4
103

Mat. 4:9-10; Joh. 4:23; Mat. 28:19

Rom. 1:25; Kol. 2:18; Op. 19:10

Joh. 14:6

1 Tim. 2:5
22.3 God vereist van alle mensen gebed, met dankzegging, als
onderdeel van hun aanbidding.¹ Om Hem welgevallig te kunnen zijn, moet
we bidden in de naam van de Zoon² en door de bijstand van de Geest³, naar
zijn wil4
, met verstand, eerbied, nederigheid, passie, geloof, liefde en
volharding. In het bijzijn van anderen moet we bidden in een bekende taal.5

Ps. 95:1-7; Ps. 65:2

Joh. 14:13-14

Rom. 8:26

1 Joh. 5:14

1 Kor. 14:16-17
22.4 We moeten bidden voor dingen die geoorloofd zijn en voor allerlei
mensen die nu nog in leven zijn, of hierna zullen leven¹, maar niet voor de
doden², noch voor hen van wie bekend is dat zij de zonde tot de dood
bedreven hebben.³

1 Tim. 2:1-2; 2 Sam. 7:29

2 Sam. 12:21-23

1 Joh. 5:16
22.5 Onderdelen van de aanbidding van God, die we in gehoorzaamheid
aan Hem moeten volbrengen, zijn het lezen van de Bijbel¹; de prediking en
het horen van Gods Woord²; het elkaar onderwijzen en aansporen in
psalmen, hymnes en geestelijke liederen; het zingen tot God met genade in
onze harten³; en ook de bediening van de doop4 en het avondmaal5
;
uitgevoerd met verstand, geloof, ontzag en vrees voor Hem. Bij speciale
gelegenheden6 behoren we gebruik te maken van ernstige
verootmoediging met vasten en dankzegging; op een heilige en eerbiedige
manier.7

1 Tim. 4:13

2 Tim. 4:2; Luc. 8:18
104

Kol. 3:16; Ef. 5:19

Mat. 28:19-20

1 Kor. 11:26

Ex. 15:1; Ps. 107

Est. 4:16; Joel 2:12
22.6 Onder het evangelie zijn het gebed en andere delen van de
aanbidding niet gebonden aan ― of meer acceptabel gemaakt door ― de
plaats waar zij gehouden worden, of waarheen zij gericht zijn.¹ God moet
echter overal aanbeden worden in geest en in waarheid, zowel dagelijks² in
de gezinnen³ en in het verborgene door iedereen voor zichzelf4
, alsook
meer plechtig in de openbare samenkomsten. De samenkomsten mogen
niet onverschillig of moedwillig verwaarloosd of verzaakt worden5 omdat
God er door zijn Woord en voorzienigheid toe oproept.

Joh. 4:21; Mal. 1:11; 1 Tim. 2:8

Mat. 6:11; Ps. 55:17-18

Hand. 10:2

Mat. 6:6

Heb. 10:25; Hand. 2:42
22.7 Zoals God het in de natuur heeft ingesteld dat in het algemeen een
deel van de tijd apart moet worden gezet voor de aanbidding van Hem, zo
heeft God door zijn Woord, als een nadrukkelijk altijd durend voorschrift,
dat voor alle mensen in alle eeuwen geldt, één dag uit zeven als rustdag
aangewezen, die men heilig voor Hem moet houden.¹ Vanaf het begin van
de wereld tot aan de opstanding van Christus was dit de laatste dag van de
week. Vanaf de opstanding van Christus echter veranderde dit in de eerste
dag van de week, die de dag des Heren wordt genoemd.² Deze dag moet als
de christelijke sabbat onderhouden worden tot aan het einde van de
wereld. Het gebruik van de laatste dag van de week voor dit doel is hiermee
afgeschaft.

Ex. 20:8

1 Kor. 16:1-2; Hand. 20:7; Op. 1:10
105
22.8 De mens heiligt de rustdag voor de Heer, nadat hij zijn hart op
gepaste wijze heeft voorbereid en zijn dagelijkse bezigheden vooraf
geregeld heeft. Hij moet niet alleen de hele dag een heilige rust in acht
nemen¹ ― van zijn eigen werken, woorden en gedachten met betrekking
tot zijn wereldlijke arbeid en ontspanning; ook moet hij de hele tijd
besteden aan openbare en persoonlijke aanbidding en aan noodzakelijke en
barmhartige activiteiten.²

Jes. 58:13; Neh. 13:15-22

Mat. 12:1-13